
We lopen vanaf de parkeerplaats een smal padje af naar beneden. Eenmaal beneden is de ingang spectaculair: via een met de hand uitgehakte tunnel lopen we de steile kliffen van Praia do Carvalho in. Het voelt meteen alsof we een geheime piratenbaai betreden, want zodra we de tunnel uit stappen worden we omringd door een gigantische, halfronde muur van kalksteen. De kliffen zijn zo hoog en steil dat je niets meer ziet of hoort van de bewoonde wereld. Geen auto's, geen hotels, geen bouwkranen. Ik geniet van de goudkleurige baai en besef dat het beeld dat mensen van de Algarve hebben — dat van massatoerisme — hier niet hoeft te kloppen. De kust zit vol afgelegen baaitjes en authentieke dorpjes. De kinderen spelen, de zon schijnt, de massa is nergens. Zo hoort vakantie te zijn.
Waarom de Algarve je verrast
Die tunnel zegt eigenlijk alles. De Algarve heeft bij veel mensen het stempel van goedkope pakketreizen, Engelse pubs en betonnen hoogbouw, en eerlijk: op een paar plekken klopt dat ook. Praia da Rocha, delen van Albufeira, de torenflats van Vilamoura. Maar dat is een handvol kilometers kust, geen hele regio. Rijd je iets verder, dan vind je het tegenovergestelde. De centrale Algarve tussen Albufeira en Lagos bestaat uit goudgele kalksteenkliffen waar erosie zeebogen, grotten en tientallen piepkleine baaitjes in heeft uitgesleten — cala's die je alleen te voet bereikt, via een trap of, zoals bij Carvalho, via een gat in de rots. Dat geeft precies het gevoel dat je verwacht níet te krijgen aan deze kust: dat je een plek voor jezelf hebt gevonden.
Wat de regio extra de moeite waard maakt, is het contrast. Binnen een uur rijden ga je van die beschutte zuidkust naar het groene bergland van de Serra de Monchique, en naar de ruige westkust bij Sagres waar de Atlantische Oceaan vol op de kliffen beukt en de sfeer eerder naar surfen dan naar zonnebaden neigt. Strand, bergen en oceaan, allemaal binnen handbereik. Tel daar de oude dorpen bij op — het vissersplaatsje Ferragudo, het Moorse Silves — en je hebt een bestemming die zich slecht laat samenvatten in één cliché. Het is allebei tegelijk: druk én stil, bekend én onontdekt. Je moet alleen weten waar je moet kijken.
Voor wie de Algarve een match is
De centrale Algarve past het best bij wie de drukte juist wil ontlopen: stelletjes en rustzoekers die buiten juli en augustus komen, gezinnen die kalme, beschutte baaitjes zoeken (de zuidkust heeft rustiger water dan de westkust), en wandelaars die de Sete Vales Suspensos lopen, de kustwandeling tussen Praia da Marinha en Centianes die geldt als een van de mooiste van Portugal. Ook cultuurliefhebbers komen aan hun trekken in Silves, en surfers vinden aan de westkust en bij Sagres betrouwbare Atlantische golven. Voor wie op de centen let is de Algarve buiten het hoogseizoen bovendien nog redelijk betaalbaar vergeleken met andere West-Europese kustbestemmingen. Minder geschikt is de regio als je in hartje zomer absolute eenzaamheid verwacht — dan zijn de bekende baaien gewoon vol — of als je geen auto wilt huren, want zonder auto mis je het grootste deel van wat dit gebied bijzonder maakt. En kom je puur voor grootschalig nachtleven, dan zit je in deze dorpen verkeerd; daarvoor moet je in Albufeira zijn.
Wat je niet mag missen
Praia do Carvalho en Praia de Cova Redonda zijn de twee verborgen schatten waarmee je begint. Carvalho betreed je als een ware piraat, want de enige toegang is die met de hand uitgehakte tunnel door de loodrechte kliffen. Eenmaal op het goudgele zand word je omringd door metershoge rotswanden die elk geluid van buiten dempen; voor waaghalzen is er een richel waar je zo het diepe, heldere water in springt. Iets verderop ligt Cova Redonda, idyllisch verscholen in een rustige baai tussen de typische roestbruine kliffen, met een enorme rots in de branding die eruitziet als een reusachtig zeilschip — een oase van rust. Dit was de plek waar ik besefte dat de Algarve niets met massatoerisme te maken hoeft te hebben.
Praia de Centianes en Praia do Vale do Olival zijn de stranden van de locals. Centianes ligt aan het begin van de beroemde Seven Hanging Valleys-wandelroute; waar de meeste toeristen doorlopen naar de Benagil-grot, strijken de Portugezen hier neer op het brede zand, beschut tegen de wind. Vale do Olival, richting Ferragudo, is een pretentieloos strand waar Portugese families in het weekend samenkomen, met een weids uitzicht over de Atlantische Oceaan vanaf de kliffen. Hier merkte ik hoe anders het voelt om tussen locals te liggen in plaats van tussen toeristen.
Praia de Nossa Senhora da Rocha herken je aan de smalle, hoge landtong die in zee steekt. Bovenop staat een piepklein, witgekalkt kapelletje — een van de oudste van Portugal, waar vissers vroeger baden voor een behouden vaart. Onder de kapel door loopt een tunnel die het strand verbindt met het aangrenzende Praia Nova. Het is misschien wel de meest romantische plek van de hele kust.
Ferragudo ontdek je het beste door de smalle, steile straatjes vol waslijnen, witte huisjes en kleurrijke bloempotten te bewandelen. Kijk je vanaf het drukke Portimão over de rivier de Arade, dan zie je het liggen: terwijl de rest van de kust werd volgebouwd, stond de tijd hier stil. In de haven boeten de vissers nog hun netten, en aan de rand waakt het kasteel São João do Arade over de riviermonding. Dit is het laatste échte vissersdorp dat ik aan deze kust ben tegengekomen.
Silves bezoek je voor de geschiedenis. Rijd je landinwaarts langs de sinaasappelgaarden, dan kom je uit bij de ooit weelderige hoofdstad van het Moorse koninkrijk van de Algarve. Het gigantische kasteel van rode zandsteen torent boven de witte huizen uit. Geen haast, geen massa; wel middeleeuwse straatjes, ooievaarsnesten op de kerktorens en terrasjes waar locals urenlang koffiedrinken. Silves ademt geschiedenis op een manier die je aan de kust niet vindt.
Monchique (Serra de Monchique) rijd je in zodra je genoeg hebt van het strand. Dit is de groene long van de Algarve: de temperatuur daalt, de zilte zeelucht maakt plaats voor eucalyptus en dennen. Bezoek het historische kuuroord Caldas de Monchique, waar het warme bronwater al sinds de Romeinse tijd uit de bergen kabbelt, en zoek op het dorpspleintje de medronho op — de lokale 'vuurwater'-likeur van de aardbeiboom. Het voelt hier bijna on-Algarves: koel, schaduwrijk en stil.
Sagres en Cabo de São Vicente vormen het einde van de reis, op het zuidwestelijkste puntje van Europa. Geen beschutte baaien meer, maar metershoge kliffen die loodrecht in de woeste Atlantische Oceaan storten, en een rauwe, laid-back surfvibe. Bezoek het enorme fort op de landtong en rijd door naar de kaap om de zon in de eindeloze zee te zien zakken. Een magischer einde van een reis door de Algarve bestaat niet.
Praktisch
Wanneer. De beste reisperiode is de shoulder season — mei, juni, september en begin oktober. Je hebt dan aangename temperaturen rond de 22 tot 26 graden, een zee die zwembaar is (al blijft de Atlantische Oceaan fris, op de zuidkust zo'n 19 tot 22 graden) en veel minder drukte dan in de zomer. Ideaal als je strand én wandelen wilt combineren. Juli en augustus zijn het warmst en drukst, met de hoogste prijzen en volle baaien; de winter is zacht en goedkoop, maar dan is een deel van de strandhoreca dicht.
Hoeveel. De Algarve is buiten het hoogseizoen nog relatief betaalbaar. Reken in de shoulder season op een richtbedrag van zo'n 80 tot 160 euro per nacht voor een middenklasse hotel of appartement, 15 tot 25 euro voor een maaltijd in een lokaal restaurant, rond een euro voor een koffie en 2 tot 3,50 euro voor een biertje. Een huurauto kost ongeveer 30 tot 55 euro per dag, een boottocht naar de Benagil-grot zo'n 20 tot 35 euro per persoon. De stranden zelf zijn openbaar en gratis. In juli en augustus liggen de accommodatieprijzen flink hoger.
Hoe. Vanuit Nederland vlieg je in ongeveer drie uur naar Faro, vanaf Amsterdam en Eindhoven (en in het seizoen Rotterdam) met onder meer Transavia, TUI fly, Ryanair en KLM. Een retourticket varieert sterk: grofweg 80 tot 150 euro buiten het hoogseizoen, en het dubbele tijdens de zomervakantie. Vanaf Faro ben je in drie kwartier tot een uur in de centrale Algarve rond Carvoeiro en Lagoa. Een huurauto is hier vrijwel onmisbaar: er rijden wel treinen en bussen tussen de grotere plaatsen, maar de afgelegen baaitjes bereik je daar niet mee.
Eerlijk gezegd
Die stilte uit de openingsscène is geen gegeven — je moet er iets voor doen. In juli en augustus verandert het plaatje flink: de parkeerplaatsjes bij de populaire baaien zijn klein en tegen tienen al vol. Reken er verder op dat het Atlantische water frisser is dan veel mensen verwachten, zeker aan de westkust, waar ook stroming en branding staan — let op de vlaggen. En zonder auto wordt het lastig: de mooiste plekken liggen juist net buiten het bereik van het openbaar vervoer. Kom vroeg uit de veren of kom buiten het hoogseizoen, dan klopt het beeld van de lege baai weer.
Ik denk nog vaak terug aan dat moment net na de tunnel: de halfronde muur van kalksteen om me heen, geen auto, geen hotel, geen geluid van buiten. Gewoon goudgeel zand, spelende kinderen en zon. Zo hoort vakantie te zijn.
Stephan Koning
Reisexpert en oprichter van EuropaReisMatch.nl. 20 jaar ervaring in Europa, 51 landen bezocht. Een passie voor de verborgen parels ver buiten de toeristische routes.
Meer over Stephan →